Historie Haagse GGZ te lezen in boek en te zien op expo

Corry van Straten bij het 500 jaar oude beeldje van de heilige Antonius

Corry van Straten controleert kort of haar kleine expositie ‘Geschiedenis van de Haagse geestelijke gezondheidszorg’ juist staat opgesteld. In de Scheveningse Antoniusabt aan de Scheveningseweg is later op de dag een concert, waarvoor de tentoonstelling een stukje is verplaatst. Van Straten, initiatiefneemster en schrijfster van het boek ‘Van Kapel tot Dolhuys, Haagse Geesteszorg vanaf de Middeleeuwen tot 1700’, knikt tevreden. “Hopelijk raakt de geschiedenis van de verzorging van psychiatrische patiënten door de eeuwen heen meer bekend bij het publiek.”

De geestelijk verzorger annex pastor werkte jarenlang bij de Parnassia Groep en schreef enkele boeken over de Haagse geestelijke gezondheidszorg. Voor haar laatste pennenvrucht deed ze uitgebreid historisch onderzoek, wat onder andere resulteerde in de tentoonstelling die eerder in het Atrium van het Haagse stadhuis te zien was. De expo, opgesteld in de schemerige art deco-zaal van het Scheveningse gebedshuis, kwam tot stand middels een samenwerking tussen de Vrienden van Sint Antonius Abt en het Historisch Genootschap Parnassia Groep, afdeling Den Haag.  

Dat de expositie in de Antonius Abt staat, komt door de ontdekking van een 500 jaar oud beeldhouwwerk van de Heilige Antonius in een kluis van Parnassia. Antonius is de beschermheilige van de geesteszieken omdat hijzelf leed aan visioenen en wanen, al rondwarende in de woestijn op zoek naar een hoger doel. De Vrienden van Sint Antonius Abt kwamen het te weten en daarom wilden zij de tentoonstelling naar de kerk halen, inclusief beeld. Nu staat de heilige, vermoedelijk afkomstig uit een Mediterraans land, te pronken in een vitrinekastje. En, hoewel gemaakt in een andere stijl, valt hij zeker niet uit de toon tussen al het art deco pronkwerk.

Als doel heeft de expo Hagenaars te vertellen over de opvang en behandeling van stadsgenoten vanaf de Middeleeuwen in en bij de Antoniuskapel aan het Slijkeinde tot aan nu. Tien jaar onderzoek door Van Straten ging eraan vooraf. “Na mijn pensionering in 2013 ging ik onderzoek doen naar de historie van de GGZ”, vertelt Van Straten op een donker eikenhouten bankje van de kerk.

“Ik schreef twee boeken, een gaat over de oorlogsjaren van twee GGZ-instellingen, de ander, ‘Van Kapel tot Dolhuys’ over het begin van de opvang van psychiatrisch patiënten in Den Haag.”

‘Niet compleet’

Van Straten dook hiervoor regelmatig archieven in. “Bijvoorbeeld het gemeentearchief en dat van Parnassia. Hier zit ik vaak notulen te bekijken uit de 18de eeuw. Ook kwam ik andere boeken over het onderwerp op het spoor. En tijdens mijn research kreeg ik hulp van een andere onderzoeker van de Middeleeuwen. Ik las veel boeken en vond in de archieven oude tekeningen. Ik combineerde al deze gegevens en het resultaat is deze tentoonstelling. Ondanks alle informatie die ik op kon diepen, denk ik niet dat mijn boek of de tentoonstelling compleet is.”

In de Middeleeuwen vonden psychiatrisch patiënten onderdak bij de Antoniuskapel aan het Slijkeinde in Den Haag. Toen dat in latere tijden overvol raakte, bouwden regenten naast de kapel het Pest- en Dolhuys om meer mensen met allerlei (psychische) klachten op te kunnen vangen, naast geesteszieken ook kreupelen, armen, zieken, gehandicapten, blinden en krankzinnigen.

“Op plattegronden zie je dat Dolhuys en de kapel terug”, weet Van Straten. “Op de expo is zo’n kaart te bezichtigen.” Wat Van Straten extra leuk vond was de ontdekking van een zelfhulpgroep, de Crepelen, in de Middeleeuwen. “Toentertijd vonden psychiatrisch patiënten vooral onderdak bij familie of in de buurt. Mensen die echt nergens anders terechtkonden voor zorg, gingen naar de Antoniuskapel. Hier ontstond de religieuze zelfhulpgroep van de Crepelen en dat was het begin van de opvang van mensen met psychische problemen. In die tijd bleek er veel tolerantie jegens deze mensen. Alleen bij gevaar voor zichzelf of de maatschappij kon opsluiting volgen.”

Aderlaten

Eeuwenlang boog de behandeling van psychiatrische patiënten op een opvoedkundig c.q. pedagogisch model, afgewisseld met aderlaten of genezingsrituelen. Kruiden hielpen de zieken, waarbij artsen de genezingstheorieën van Claudius Galenus uit de Oudheid volgden. Volgens deze is bij ziekte het evenwicht tussen de lichaamssappen verstoord. Dat kan hersteld worden, maar lukt niet altijd. Daarom bestond de meeste zorg uit het dragelijk maken van pijnen en het bieden van troost. 

Van Straten: “Die aanpak werkte wel, maar het was wel persoonsafhankelijk. Soms werkte het juist averechts. Wanneer men last had van wanen of visioenen dan keek men er destijds op twee manieren naar: of je stond in verbinding met het hogere of de hemel, of je stond in contact met de duivel. In het eerste geval probeerden artsen genezingsrituelen en een goede verzorging, bij het laatste greep men naar uitdrijvingen. Pas in de 19de eeuw ontstond het huidige medische model.”

De verzorgers van eeuwen terug deden hun werk uit barmhartigheid. “Ze deden het nog niet eens zo slecht, denk ik. Ze moesten het doen met de kennis die toen beschikbaar was”, meent Van Straten.

Ongewenst gedrag

Begin 17de eeuw bouwen regenten op de plek van de Antoniuskapel een nieuw Pest- en Dolhuys. Hier verzorgden artsen niet alleen psychiatrische patiënten, ook pestlijders vonden er onderdak. Het aantal inwoners van de instelling groeide. In de 18de eeuw neemt het Dolhuys alleen nog mensen op met ongewenst gedrag. Dit zijn niet alleen krankzinnigen, maar ook mensen die zich niet gedragen volgens de mores van de maatschappij. De binnenvader en binnenmoeder leren hen, onder supervisie van de regenten, gewenst gedrag. Ze voeden hen op als kinderen met behulp van beloning en (lichamelijke) straffen. Bij goed gedrag volgt ontslag. Anderen vallen terug in hun oude gedrag, waarna opname weer nodig is. In 1795 komen de Fransen. Zij veranderen het staatsbestel in een liberale samenleving waarin alle godsdiensten gelijkwaardig zijn. De Oranjegezinde regenten in het huis worden vervangen door liberale regenten, die voor een katholieke kapel in het huis zorgen.

Er heerst optimisme dat ongewenst gedrag kan veranderen in gewenst gedrag. Daarom heet het huis aan het Slijkeinde van 1825 tot 1844: ‘Verbeterhuis’. Daarna: ‘Geneeskundig gesticht voor krankzinnigen’. De zorg verandert van een juridisch-pedagogisch model naar een psycho-medisch model. Artsen krijgen steeds meer te zeggen. Ongewenst gedrag wordt een ziekte. “Helaas raakte het Dolhuys overvol, met allerlei excessen en slechte hygiëne van dien. Dat duurde de hele 19de eeuw.”

Rosenburg en Bloemendaal

Daarom kopen regenten in 1895 het Landhuis Oud-Rosenburg met de bedoeling de zorg in een meer landelijke omgeving te bieden. Op het terrein in Loosduinen verschijnen grote paviljoenen met steeds meer patiënten. In 1912 laten de regenten het huis aan het Slijkeinde definitief achter zich.

Daar opent in 1926 de Ramaerkliniek haar deuren. Hier kunnen zenuwlijders zonder rechterlijke machtiging opgenomen worden ter observatie en behandeling volgens de nieuwste methoden. Het is de eerste kliniek in Nederland waar dat mogelijk is.

In 1892 vestigt de stichting Bloemendaal zich aan de Monsterseweg. Het is het tweede ziekenhuis van de Vereniging van Christelijke Verzorging van Krankzinnigen in Nederland. In 1930 opent de Ockenburgkliniek haar deuren.

Na de oorlog pakken beide stichtingen de zorg, zoals vóór de oorlog gebruikelijk, weer op. In de jaren 50 en 60 kondigen zich nieuwe behandelingen aan, zoals het vergaand gebruik van medicijnen. In de jaren 70 volgt de antipsychiatrie. Het is een protest tegen therapieën en medicijnen die vrijheidsbeperkend zijn. In die jaren ontstaan de cliëntenbewegingen, die opkomen voor hun eigen belangen en inspraak eisen bij behandelingen en beleid. Nieuwe ideeën krijgen ruimte, de waardigheid van de mens staat centraal. Behandelingen zijn erop gericht de cliënt te ondersteunen bij herstel (rehabilitatie), met mogelijk een snelle terugkeer in de maatschappij. Wonen en behandelen raken gescheiden. Diverse vormen van zelfstandig, begeleid en beschut wonen ontstaan.

Fusie

Parnassia bestaat sinds 1998. In dat jaar fuseren de psychiatrische ziekenhuizen Bloemendaal, Rosenburg, Schroeder van der Kolk, Centrum Verslavingszorg Zeestraat en drie Haagse Riagg’en tot één GGZ-instelling. Na deze eerste fusiestap sluiten andere GGZ-organisaties zich aan en breidt het verzorgingsgebied van Parnassia zich uit. Tegenwoordig werkt zij op meer dan 500 locaties, met drie kernregio’s: Noord-Holland, Haaglanden en Rijnmond (inclusief de Zuid-Hollandse eilanden).

“Bijna niemand kent de geschiedenis van de geestelijke gezondheidszorg in Den Haag”, zegt Van Straten. “Er is vrij weinig bekend bij het grote publiek. Het onderwerp is weinig populair en omtrent psychiatrische problemen bestaat nog steeds een stukje angst. Je hoeft niet bang te zijn voor de problematiek die samenhangt met psychiatrisch patiënten. In al die tijd dat ik bij Parnassia werkte, ben ik nooit bang geweest. Met deze tentoonstelling wil ik de historie van de GGZ meer bekendheid geven.”

Veranderende zienswijzen

Wat opvalt is de verschillende benadering en zienswijze ten aanzien van de verzorging van psychiatrisch patiënten door de eeuwen heen. “Je ziet dat men eerst kiest voor wegstoppen in stedelijke dolhuizen, later verzorgt men geesteszieken buiten de stad, op het platteland, in parken en bossen waar rust heerst, en nu zie je dat patiënten juist in de stad behandelingen krijgen. Omdat het de bedoeling is dat zij erna weer in de samenleving terechtkomen, onder de mensen zijn en zelfstandig kunnen leven in de maatschappij.”

Nog altijd is Corry van Straten bezig met onderzoek. Want ze hoopt voor haar 80ste een derde boek uit te brengen, over het Haagse Dolhuys. “Ik ben er voortdurend mee bezig. Het is mijn grote project na mijn pensionering. Parnassia is als oud-werkgever erg blij met mijn werkzaamheden. Zij wil graag meer bekendheid over de geschiedenis van de Haagse geestelijke gezondheidszorg.”

Tekst en foto: Harry Oosterveen

De expositie is tot 29 oktober te zien in de Heilige Antonius Abt aan de Scheveningseweg. Het boek ‘Van Kapel tot Dolhuys, Haagse Geesteszorg vanaf de Middeleeuwen tot 1700’ van Corry van Straten geeft een uitgebreide beschrijving van de geschiedenis van de Haagse geestelijke gezondheidszorg. Ook schreef Van Straten het boek ‘Een wereld die er niet meer is’ over de stichtingen Rosenburg en Bloemendaal in de oorlogsjaren.